De Runensage
Een episch verhaal in de traditie van de grote vertellers
Een episch verhaal in de traditie van de grote vertellers
ULVENOR : het continent waarop het hele verhaal in de Runensage zich afspeelt. Ons verhaal begint in een gehucht iets ten oosten van de stad Valle: Woudhutten. Het dorpje ligt aan de Kleine Klare, een van de vele rivieren die uit de machtige Bikkelieten stromen.
In de Bikkelieten ligt een langwerpige vallei, aan alle kanten beschut door de massieve bergen en vulkanen aan de oostkant. Hier wonen de Dwergen in hun Kavs: hun bergdorpen en in de bergen uitgehouwen steden. De rivier de Klare die in het midden van de vallei stroomt is warm door de vulkanisch activiteit in de omgeving. Hij stinkt naar zwavel, maar tegelijkertijd zorgt het warme water voor een zeer aangenaam en mild klimaat midden tussen die onbarmhartige bergen van de 'Bikkels'.
Valle, de stad, ligt vrijwel omringd op een rotsig schiereiland. Hier stroomt de Kleine Klare in de Grote Klare. Er is maar een klein stukje land dat de stad met de rest van het land verbindt. Dit, samen met een oude, heel soliede burcht op de rotsen zorgt ervoor dat zowel de ommuurde stad als de Rode Burcht van Valle onneembare vestingen zijn. De Grote Klare verbreedt zich ten zuiden van de stad in een groot en onpeilbaar diep meer: Diepwater. Het Diepwater stroomt op zijn beurt weer leeg via de brede zuidkant. Talloze stroompjes trekken sporen door een groot en drassig gebied dat hierdoor een levensgevaarlijk en vrijwel ondoordringbaar moeras is geworden: de Zompen. Helemaal aan de zuidkant van de Zompen verzamelt al dit water zich weer en stroom verder als de rivier de Klare om uiteindelijk bij Klaremon in de oceaan uit te stromen.
In Ragland hebben bijna alle grote godsdiensten een belangrijke tempel. De priester-koning van Raag, die in de Citadel woont, heeft als belangrijkste taak om te zorgen dat alle godsdiensten in Raag vertegenwoordigd zijn en blijven. Hij is dan ook blij als er een nieuwe godsdienst ontstaat. Die krijgt natuurlijk meteen een tempel in de stad Raag. Maar als die nieuwe godsdienst alle andere goden bestempelt tot 'oplichters' en 'nutteloze ondergodjes', is hij minder blij.
Het Omniversum
Omni wordt gezien als de bron van letterlijk alles. Omni is een twinkelende ster in het sterrebeeld 'Omni's Al'. Het is een verdwijnpunt volgens de astrologen en de filosofen. Het blijkt dat alle andere sterrenbeelden - constellaties noemen de astrologen die - rondom de centrale ster van Omni's Al draaien. De oudste atrologen stelden in lang vervlogen tijden al vast dat er vijf constellaties van sterren in een regelmatige vijf-hoek om Omni's Al draaien. Deze vijf worden geassocieerd met de vijf Huizen van de Magisters Naturalis: de alchemisten, met als elementaire kracht: vuur, de astrologen met licht, runensmeden met bliksem als 'hun ' elementaire kracht, de druïden met water en tenslotte de elvifehé met lucht als elementaire kracht. Op Ulvenor zijn de meeste mensen vergeten wat elvifehé zijn, of waren. Maar er wordt met ontzag gefluisterd over 'heksen'.
De vijf sterrenconstellaties van de Huizen van de Magisters Naturalis vormen ook een vijfpuntige ster, een pentagram, rondom Omni. De oude theoristen van heel vroeger trokken assen door de hoekpunten en Omni's centrale ster. Ze stelden vast dat druïden en elfivehé zich met levende zaken bezighielden: planten en dieren, terwijl de astrologen en alchemisten zich met niet-levende, dode, zaken bezighielden: constellaties en tal van vreemde stoffen waar de alchemisten elixirs van kunnen brouwen. De 'as van het leven' die de oude theoristen trokken, door het sterrenbeeld van de runensmeden deelde zo het Omniversum op in een 'levende wereld' en een 'dode wereld'. Niemand weet wat dit precies betekent, en of het klopt ... .
Zo kan je nog vier andere assen trekken, iets waar filosofen en theoristen hevig over speculeren.
Het sterke vermoeden bestaat onder filosofen en geestelijken dat de zielen van de gestorvenen het lichaam verlaten en hun lange reis beginnen naar het grote verdwijnpunt van Omni's Al. Wat daar gebeurt weet niemand.
Levensenergie en de ziel van stervelingen
Op de wereld waarin de Runensage zich afspeelt heeft alles wat leeft (planten, dieren, mensen) een ziel. De ziel maakt dat organisme uniek als levende entiteit. Soms is die ziel verwaarloosbaar klein, zoals bij kleine plantjes of hele kleine dieren. Bij grotere en intelligentere dieren, zoals beren, vogels, honden, en natuurlijk mensen, is de ziel sterker.
De ziel wordt aan het lichaam gebonden door levensenergie. Zonder die levens-energie zou de ziel simpelweg uit het lichaam verdampen. Sterven is precies dit proces: de levensenergie verlaat het stervende lichaam en daarna laat het lichaam de ziel los, het is 'dood'.
Een levende mens is feitelijk een lichaam vol met levensenergie (met een ziel er in).
Als een levend organisme is gestorven komt de levensenergie dus vrij en die blijft als een diffuse sluier over de wereld hangen. Het is precies deze onzichtbare levensenergie die de magisters kunnen aftappen, vrijwel altijd onbewust, en daar 'onnatuurlijke', 'magische' dingen mee doen. De levensenergie is de krachtbron voor alles wat de magisters naturalis doen!
De goden op Ulvenor waren ooit gewone mensen. Nou, gewoon ... . Het waren tijdens hun leven al bijzondere mensen. Zij maakten op hun tijdgenoten diepe indruk. Toen ze stierven en hun ziel hun dode lichaam verliet, treurden velen om de omgekomen persoon. Ook na hun dood bleven de mensen veel over hun daden praten en aan de overledene denken. Dit werden vaak geprevelde gebedjes. Alle aandacht van die nog levende mensen die steeds aan deze ene bijzondere persoon dachten zorgen voor een toevoer van een klein deel van die diffuse levensenergie die overal op de wereld aanwezig is. Die energie bereikte de dolende ziel en die werd daarmee weer een sterkere entiteit. Als die ziel voldoende energie kreeg kon de ziel van de overledene zelfs weer de persoonlijkheid aannemen van de gestorvene! Maar er was natuurlijk geen lichaam meer. Met voldoende energie werd die versterkte ziel een stralende entiteit die mensen op Ulvenor konden waarnemen als een nieuwe, kleine ster! Het waren natuurlijk de astrologen die deze nieuwe sterren als eersten zagen.
De nu weer zelfstandig denkende zielen konden, als ze voldoende energie kregen, ook wat teruggdoen. Ze konden met hun geesteskracht de op Ulvenor aanwezige diffuse levensenergie manipuleren. Een heel klein beetje maar. Maar dat was voldoende om kleine 'wonderen' te verrichten voor hun trouwe aanhangers. Hierdoor werden de nu weer 'levende' zielen van die overleden bijzondere mensen goden. Als ze aanbeden werden, dan ontvingen ze levensenergie vanaf Ulvenor, en die hadden ze nodig om niet weggezogen te worden naar het verdwijnpunt van Omni's Al! Kregen ze meer energie dan voor hun eigen voortbestaan nodig was, dan konden ze kleine goddelijke gunsten verlenen. En zo ontstond er een wederzijds belang: de stervelingen bleven bidden tot hun god(in) en vragen om gunsten, terwijl de goden zo af en toe een gunst verleenden om hun schare aanbidders tevreden te houden en liefst te laten groeien en meer levensenergie te ontvangen.
Het mooie van dit alles is dat - in principe - iedereen in potentie een god(in) kan worden!
Ake en Orno zijn in deel 1 de hoofdpersonen. Het zijn tweelingen, geboren in Woudhutten, een halve dag te paard vanaf van de stad Valle. Hun vader is de meester scheepsbouwer van de omgeving. Hij bouwt en repareert vooral vissersscheepjes die gebruikt worden op de rivieren van het hertogdom en op het Diepwater, het grote meer waar de stad Valle aan grenst. Uiteraard is het de bedoeling dat ze later, als ze groot zijn, het vak van hun vader overnemen. Ake is 12 minuten ouder dan zijn broer. Dat moet natuurlijk iedereen weten.
Op een dag komt er een vreemdeling uit het oosten in hun dorp. Het is een man die zich Kalaris noemt. Is hij dwars door de Bikkelieten gekomen? En hij zegt dat hij uit Irdië komt! Dat is een naam die alleen in vage legenden voorkomt. Hun vader heeft er wel eens van gehoord. Wat komt hij doen? Hij wil naar Valle, maar waarom?
Met de komst van Kalaris begint het ongelooflijke verhaal van Ake en Orno en tal van anderen ... .
spoilertje
Apalobé was een prinses van Ragland. Apalobé was ook een priesteres van de godin Liona. Door de toestanden in haar vaderland komt ze in contact met Orno en zijn metgezellen. In de Runensage zijn er weinig personages die zoveel moeten meemaken als zij. Door haar achtergrond, priesteres van Liona, komt ze op een van de belangrijkste momenten in haar leven in nauw spiritueel contact met haar godin. Het zal haar voor altijd tekenen.
In Runen -1: Dolen, wordt er aardig wat over de wereld getrok-ken, zoals de titel al aangeeft. Orno is niet meer teruggekomen van een routineklus die hij samen met de soldaten van de hertog moest uitvoeren. Voor Ake is dit onverdraaglijk. Maar dit gebeurde allemaal toen hij nog zo jong was. Maar als hij 17 is, vindt hij zichzelf groot genoeg om op zoek te gaan naar zijn broer. Hij ZAL hem vinden!
Maar er is al naar hem gezocht, door heer Bardon, de jongere broer van de hertog. En die heeft hem ook niet kunnen vinden! Waarom Ake dan wel? Maar ja, een tweelingbroer is nóg bijzonderder dan een 'gewone' broer. Het is dus helemaal geen vraag waar een antwoord op gegeven hoeft te worden. Ake moet, van zichzelf, Orno terug-vinden! Al zal hem dat de rest van zijn leven kosten ... .
Het zal hem op totaal onbekende en onverwachte plekken brengen en hij zal lieden ontloeten waarvan hij niet eens wist dat ze bestonden!
Een belangrijk deel van het verhaal speelt in en om Valle. Het is een stad, verdedigd door sterke muren en aan de noordwestkant staat de machtige 'Rode Burcht'. Deze is ouder dan de stad. De stad is voor een deel tegen de burcht aangebouwd. De toegang vanuit de stad tot de burcht is de Burchtpoort. In de Rode Burcht verblijft de hertog: hertog Boudewijn. Het hertogdom Valle bestaat al honderden jaren. Het bestaat uit vruchtbare landerijen, doorsneden door een paar van de grote rivieren van Ulvenor: de Grote Klare en de Kleine Klare zijn er maar een paar van.
Men zegt dat de Rode Burcht gebouwd is op de ruïnes van een veel oudere burcht. Die zou dan van vóór de Grote Oorlog zijn. Die Grote Oorlog is nu ongeveer duizend jaar geleden uitgevochten en toen, zo gaat het verhaal, zijn vrijwel alle magisters omgekomen. Alleen in Valle is nog een oude magister: meester Ramachan, de astroloog. Hij kan de constellaties lezen en daar horoscopen uit trekken en zo voorspellingen doen over de toekomst.
In de stad Raag, in Ragland, woont ook nog een magister: het is meester Thero - de meester alchemist. Hij brouwt, samen met zijn gezel, zijn onvolprezen elixirs. Voor elixirs zijn vreemde grondstoffen nodig en een heel alchemistisch laboratorium. En uiteraard de vaardigheden en kennis van de meester-alchemist zelf.
Meester Thero woont alleen. Hij is een frequent bezoeker van de tempel van Liona, de godin van de eeuwige jeugd en schoonheid. Zo blijft hij fit en uiterlijk ziet hij er duidelijl jonger uit dan hij is. En dat bevalt hem wel. Meester Thero is best wel wat ijdel. Maar goed, een man van zijn voornaamheid mag zich toch wel enigszins te buiten gaan aan ijdelheid? Hij houdt het bescheiden.
Libers, zo heten ze. Het zijn meestal kleine boekwerkjes, in zwaar leer gebonden, maar de oudste libers zijn vaak nog opgerolde losse vellums. Libers zijn ontzettend zeldzaam en dat komt omdat ze beschreven zijn met runen. En runen kunnen niet zomaar geschreven worden. De runensmeden spreken zelf trouwens van 'runen zetten', niet van schrijven.
Gewone stervelingen kunnen de runen meestal niet eens zien, magisters kunnen wel runen zien, maar ook lang niet allemaal. Alleen de runensmeden kunnen alle runen zien.
Het zal duidelijk zijn dat in de Runensage een hoofdrol is weggelegd voor deze magische tekens en degenen die ze kunnen zetten en lezen!
Er zijn verschillende soorten runen: Machtsrunen en Schriftrunen dus, voor in de libers. Dan zijn er ook nog Myriaden. Dat is een speciale klasse van Machtsrunen. Myriaden kunnen steeds worden gevuld met de alomtegenwoordige diffuse levensenergie. Dat geeft dan weer bijzondere mogelijkheden!
In de Runensage wordt ook gevochten. Het kan ook bijna niet anders. Het is - naar goed gebruik in deze bijzondere tak van de literatuur - een bijna middeleeuwse wereld. Men heeft geen machines, geen verbrandingsmotoren. Het is allemaal hand- en paardenkracht. Dat geeft tegelijkertijd ook iets geruststellends: er kan niet ineens een raket op je hoofd vallen. Berichten moeten fysiek worden verstuurd: met een koerier op een paard, of met een postduif. Als je ergens heen wilt, moet je reizen, vaak dagen lang. De hele wereld gaat rond in een langzamer tempo. Dat geeft ons ook tijd om ons meer te verwonderen over wat we om ons heen zien. De mensheid heeft op Ulvenor de natuur nog niet verdrongen, al doet die mensheid ook in ons epos zijn best. En, gemengd met de ingrediënten die het 'fantasy' maken, wordt dit toch een fijne wereld om in te leven - vanaf een veilige afstand met ons boek.
In 'Runen' komen we op bijzonder plaatsen - te veel om op te noemen; ook op niet zo leuke plekken trouwens. De sfeer, de reis erheen, de verrassing van de ontdekking - dat hoor je te ervaren.
Ulvenor is een oud continent. Er hebben, net als in het oude Europa, vele oorlogen gewoed, beschavingen zijn ontstaan, imperia en koninkrijken zijn opgekomen en weer ten onder gegaan door het geweld van soms een natuurramp, maar meestal als gevolg van de 'boeiende' inter-acties tussen mensen onderling ... oorlogen. Soms is die geschiedenis bewaard gebleven, maar vaak ook maar ten dele, of helemaal niet meer en zijn er alleen legenden en mythen over van die vervlogen perioden in de geschiedenis. En soms vinden onze helden de resten van die oude beschavingen als ruïnes, overwoekerd door de Natuur die altijd probeert terug te veroveren wat haar is afgenomen.