Iets over mijzelf.
Ik weet nog dat ik als jongetje van ik denk 11 jaar of zo voor het eerst een science fictionserie op de televisie zag: Raumschiff Orion. Het zal 1967 geweest zijn. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt! Fantastisch! Nu lachen we om de primitieve trucs en de bordkartonnen decors en zwart-wit beelden, maar voor toen: mindblowing! (Alleen dat woord was nog niet uitgevonden.)
Afijn, ik kon redelijk leren en ging Moleculaire Wetenschappen studeren in Wageningen. Dat was ook nog een drama, want ik vond eigenlijk veel te veel dingen leuk: geschiedenis (waar je later volgens mij alleen leraar geschiedenis mee kon worden), biologie, natuurkunde, wiskunde, scheikunde. Aan talen had ik een hekel. Na 6 jaar Frans kan ik nog steeds niet veel meer dan een stokbrood bestellen in Frankrijk. Dus wat ga je dan studeren? Luxe-probleem. Maar met Moleculaire Wetenschappen kon je al die vakgebieden een tijdje uitdiepen (alleen Geschiedenis niet natuurlijk, hooguit iets over de geschiedenis van de exacte wetenschappen. Veel Franse wiskundigen waren wees en zijn van de straat geplukt. Pleit wel voor de Franse staat van opleiden ...).
Ik ben uiteindelijk steeds meer de fysische kant uitgegaan binnen een overwegend biochemische en chemische omgeving.
Daarna ben ik voor een groot (chemisch) bedrijf gaan werken in de research en eigenlijk ben ik daar altijd blijven hangen, wel met steeds meer 'business' verantwoordelijkheden. Niet zozeer in de verkoop (prijzen werden door anderen bepaald), maar meer in de technische marketing: aan welke nieuwe producten hebben onze klanten behoefte? Dan gaan we dat voor ze uitvinden. In het bedrijfsleven heb ik diep ontzag gekregen voor mijn collega's. Niet alleen de academische collega's in de R&D, maar ook de mensen die het labwerk deden: zoveel kennis van en ervaring met onze producten en fabrieksprocessen. En toch vaak behandeld als het 'voetvolk' door de managers. Men zou zich beter moeten realiseren dat zonder hen er helemaal geen bedrijf zou zijn. Met een groot deel van het hogere management had ik duidelijk meer moeite: alleen maar gedreven door geld, bonussen en wat hún bovenbazen vinden. Sommigen vond ik ronduit hypocriet. (Tip: die houding is niet goed voor je carrière.)
Fred's All Day Long
Mijn Muziek
Laat mij horen welke muziek u beluistert en ik zal u kennen, zou een wijsgerig persoon kunnen zeggen. Helaas ken ik best veel personen waar ik respect en waardering voor heb, als collega en / of als mens en die er werkelijk, in mijn optiek, een abominabele muzieksmaak op nahouden. Zoals jazz waar ik na 10 seconden niet alleen totaal nerveus van wordt, maar zelfs kregelig. Of hiphop, wat ik amper muziek vind. En dan zijn er nog de 'songs' waar alle muziek uit een computer komt. Dat zou dus ook geen muziek mogen heten, vind ik dus ... Maar ik gun ieder zijn meug, dus ook zijn (of haar) muziek.
Als u spotify hebt, kunt u mijn favouriete muziek beluisteren. Mijn playlist heet Fred's All Day Long en bestaat uit bijna 3400 nummers (240 uur muziek). Verreweg het grootste deel van mijn boeken is geschreven luisterend naar mijn playlist.
Ik had natuurlijk ook vrije tijd. Tijdens mijn studie las ik in de Volkskrant iets over een nieuw soort spel: 'Queeste', uitgegeven door een NIjmeegse student en het was een fantasy rollenspel. Totaal nieuw voor mij. Later leerde ik dat het was gebaseerd op 'Dungeons & Dragons'. Je speelt mét elkaar in plaats van tégen elkaar! Zijn we meteen gaan spelen met een groep vrienden die ik nog steeds regelmatig zie. Ik ben in die tijd ook zelf scenario's voor fantasy rollenspellen gaan schrijven en mijn vrienden en vriendinnen waren de helden die het avontuur moesten beleven.
Ook raakte ik behoorlijk verslaafd aan weer een ander (fantasy) spel: miniatuurveldslagen. Dat is pas werk! Je zit eindeloos kleine mannetjes en vrouwtjes te verven (een mens is dan 28 mm groot) en dan maak je legers. En er zijn regels voor hoe je twee legers samenstelt en zo een gelijkwaardige veldslag kan spelen, gewoon op de keukentafel. Maar wel prachtig aangekleed met bomen, heuvels, wegen, huizen, enz. Een soort modelspoortreinwereld, maar dan als omgeving voor jouw leger van elfen, dwergen, orken, en andere lui ...
Nadat ik gestopt was met werken, ben ik, tot mijn eigen verrassing, gaan schrijven. Ik had uit mijn rollenspelperiode nog aardig wat aantekeningen liggen over hoe magie zou moeten werken (geen 'poeff-magie, zoals ik op de Runenpagina al schreef). Als je een eeneiïge tweeling hebt, dan heb je het druk, en de jongetjes vonden alles wat met magic en games te maken had geweldig. Dus op een vakantie in Frankrijk (waar ik dus het stokbrood in het Frans kon bestellen), begon ik maar een verhaaltje te schrijven over een tweeling die in een fantasy-wereld leefde. Ze heetten Ake en Orno ... . Dat vonden ze zó geweldig, dat ik de rest van de vakantie moest blijven schrijven. Maar ja, zo snel gaat dat allemaal niet en dan is de vakantie om. En een paar jaar later gaan ze ook niet meer met de ouwelui mee. Het verhaal, nog niet eens half af, bleef liggen op de harde schijf van de laptop.
Véél later, ook omdat 'ze' nog wel eens vroegen hoe het toch met Ake en Orno ging, ben ik het verhaal weer op gaan pakken. Flink herschrijven en na 16 jaar was het af.
Dat wil zeggen, het was helemaal niet af. Het was nog maar deel 1. Deel 2 schreef ik in minder dan 3 maanden. Ik moet zeggen dat ik werkelijk totaal verbijsterd ben door het creatieve proces dat schrijven is. Er gebeuren dingen die je zelf niet van te voren kunt bedenken. De 'flow' van het verhaal neemt je mee. Soms zit je vast en dan vind je een oplossing die een totaal andere kant uitgaat dan je eerder dacht.
Bij HNOSS had ik al meteen het idee om 'iets' te schrijven over een groot wetenschappelijk instituut waar men álle biologische processen (van de mens) inmiddels heeft doorgrond en een wereld (een planeet in een ander zonnestelsel) waar iets gebeurt wat in HNOSS wordt beschreven (sorry, maar ik ga geen plot-details hier verklappen). Maar ook bij HNOSS werd het verhaal rijker en dieper dan ik had durven dromen.
Wél had ik bedacht dat het zoveel mogelijk moest zijn gebaseerd op harde waarheden: we kunnen niet sneller dan de lichtsnelheid en buitenaards leven kan levensgevaarlijk (giftig) zijn voor mensen van de Aarde. Ik heb hele Excelschema's bijgehouden van in welk jaar we leven op Aarde en op Hnoss (met al die relativistische effecten). In HNOSS ook heb ik me ook bezondigd aan mijn leraarscomplex: ik vind het leuk om dingen uit te leggen, speciaal ingewikkelde dingen en dan zo duidelijk mogelijk. Ik was tijdens mijn studie niet de briljantste student, ook niet de slechtste. Maar ik heb echt moeten worstelen met de moeilijke stof. Dat heeft me misschien ook iets meer bewust gemaakt van wát er dan zo moeilijk was en dat kan je dan later ook beter uitleggen, hoop je, aan anderen.
Daarom heb ik aan HNOSS die gekke appendix toegevoegd waarin ik het toch even over de basisprincipes wil hebben van de relativiteitsleer en van de genetica. Het zijn belangrijke zaken in het boek, zonder dat de lezer een halve natuurkundige moet zijn, of een geneticus. Je kunt prima zonder die Appendix en het staat natuurlijk ook allemaal op het onvolprezen internet.